Het land van fire én ice? Ik zag vooral ice
IJsland staat bekend als het land van fire and ice. Vulkanen die de aarde openrijten, lava die nog na gloeit onder het mos. Dat is het beeld dat je overal ziet voordat je erheen gaat.
Maar eerlijk?
Mijn IJsland voelde vooral als het land van ice.
Niet omdat er geen vulkanen zijn. Die zijn er (vast) genoeg. Maar zodra je de zuidkust volgt, merk je dat ijs overal is. In gletsjers die als bevroren rivieren door het landschap kruipen en in blauwe ijsmassa’s die voorbij drijven.
IJsland telt honderden gletsjers en ongeveer 11% van het land is bedekt met ijs. Dat klinkt als een statistiek, tot je ernaast staat. Dan voelt het ineens minder als een percentage en meer als een compleet landschap dat beweegt.
Een van de plekken waar je dat het sterkst ervaart is Jökulsárlón, de beroemde gletsjerlagune. Hier breken stukken ijs af van de Breiðamerkurjökull-gletsjer en drijven als kleine ijsbergen door het water richting zee.
En dan gebeurt er iets bijzonders.
De oceaan spoelt sommige stukken weer terug het strand op. Niet als saaie blokken ijs, maar als door de zee gepolijste sculpturen. Helder, blauw, transparant.
Op het zwarte vulkanische zand liggen ze te glinsteren alsof iemand een handvol diamanten heeft uitgestrooid.
Niet voor niets heet deze plek Diamond Beach.
Het contrast is bijna absurd: zwart zand van oude lava, kristalhelder ijs dat soms honderden jaren oud is, en de Atlantische golven die er tussendoor beuken.
Dat is misschien wel het moment waarop je begrijpt waarom IJsland het land van fire en ice heet.
Alleen… tijdens mijn reis won het ijs ruimschoots.